Per 1 januari 2011 is de keuze voor fiscaal partnerschap voor de inkomstenbelasting gewijzigd en is er een nieuw partnerbegrip ingevoerd. Per 1 januari 2012 wordt de partnerregeling weer uitgebreid. Opmerkelijk is dat de keuze om aangemerkt te worden als fiscaal partner, is komen te vervallen. De vraag is echter of er daadwerkelijk niets meer te kiezen valt.
Vanaf 1 januari 2011 is het partnerbegrip opgenomen in art. 5a AWR. Hierin is vermeld dat volgende personen van rechtswege aangemerkt worden als partner:
1. De echtgenoot
2. De ongehuwd meerderjarige persoon waarmee de ongehuwd meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract heeft afgesloten en waarmee hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de GBA.
In aanvulling op het partnerbegrip van art. 5a AWR zijn er in art. 1.2 lid 1 Wet IB 2001 enkele personen opgenomen welke, naast de in art. 5a AWR genoemde personen, voor de inkomstenbelasting ook aangemerkt worden als partner. Dit zijn de personen die op hetzelfde woonadres in de GBA ingeschreven zijn en:
1. Uit wiens relatie met de belastingplichtige een kind geboren is;
2. Die een kind van de belastingplichtige heeft erkend dan wel van wie een kind door de belastingplichtige is erkend;
3. Die voor toepassing van een pensioenregeling als partner van de belastingplichtige is aangemerkt;
4. Die samen met de belastingplichtige een woning heeft, die hun anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom of op grond van een lidmaatschap van een coöperatie;
Per 1 januari 2012 zullen hier nog twee categorieën aan toegevoegd worden:
5. Die in het aan het kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar reeds partner van de belastingplichtige was (Fiscale vereenvoudigingswet 2010);
6. Waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belastingplichtige door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander (OFM 2012).
Indien twee personen gedurende een gedeelte van het jaar aan de voorwaarden van of art. 5A AWR of art. 1.2 lid 1 Wet IB 2001 voldoen, dan zijn zij eerst vanaf dat moment partner voor de inkomstenbelasting. Echter, in art. 5a lid 2 AWR en art. 1.2 lid 2 Wet IB 2001 is beperkte overgangsregeling opgenomen.
Indien twee personen voor een deel van het kalenderjaar aan de voorwaarden voldoen, worden zij ook voor de andere perioden in dat kalenderjaar als partner aangemerkt voor zover zij in die periode op hetzelfde woonadres in de GBA ingeschreven zijn. Van belang is hierbij de voor zover bepaling. Een voorbeeld. A en B zijn getrouwd. Zij zijn op 1 maart van het kalenderjaar gescheiden. Zij staan tot 2 juli op hetzelfde woonadres ingeschreven. Zij blijven dan dus tot 2 juli elkaars partner. Dat de gezamenlijke inschrijving in de GBA dus uitermate relevant is voor het wel of niet kwalificeren voor de partnerregeling moge wel duidelijk zijn.
Naast de gevolgen voor de verdeling van de inkomsten tussen partners welke opgenomen is in art. 2.17 Wet IB 2001, zijn er een consequenties voor de uitbetaling van de heffingskorting aan de minst verdienende partner.
Indien een persoon gedurende een jaar ten minste zes maanden dezelfde partner heeft, krijgt deze persoon onder voorwaarden recht op uitbetaling van de heffingskorting (art. 8.9 Wet IB 2001). Door dus, zoals in het gegeven voorbeeld, de uitschrijving uit de GBA eerst op 02 juli te doen, wordt voldaan aan de zes maanden eis en komt de minst verdienende partner in ieder geval in aanmerking voor uitbetaling, mits er voldaan wordt aan de overige voorwaarden voor uitbetaling. Alhoewel niet meer gekozen kan worden voor fiscaal partnerschap, valt er dus toch nog wel wat te kiezen.
Drs. M.A.A. Knops CB
Bron:Elsevier Fiscaal